Naast systematische verlagingen van de boekwaarden van activa door bijvoorbeeld afschrijvingen kunnen zich bijzondere waardeverminderingen voordoen. Dit blog gaat in op dergelijke waardeverminderingen. In het volgende blog zullen we nader in gaan op de terugneming van waardeverminderingen. De inhoud van dit blog is zowel van toepassing op vaste activa die gewaardeerd worden tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs als op vaste activa die gewaardeerd worden tegen actuele waarde.

Om de regelgeving inzake bijzondere waardevermindering goed te kunnen begrijpen, dienen een aantal begrippen duidelijk te zijn. We starten dit blog met een nadere uitleg van deze begrippen.

Een aantal belangrijke begrippen
Opbrengstwaarde: het bedrag waartegen een actief maximaal kan worden verkocht, onder aftrek van de nog te maken kosten. Voorbeelden van dergelijke kosten zijn juridische kosten, kosten van verhuizing, en direct toe te rekenen extra kosten om het actief verkoopklaar te maken.

Bedrijfswaarde: de contante waarde van de aan een actief of samenstel van activa toe te rekenen geschatte toekomstige kasstromen die kunnen worden verkregen met de uitoefening van het bedrijf. Het bepalen van de bedrijfswaarde van een actief omvat het schatten van de toekomstige in- en uitgaande kasstromen bij voortgezet gebruik van het actief en bij het uiteindelijke afstoten en het toepassen van de passende disconteringsvoet* op deze toekomstige kasstromen.

* De disconteringsvoet dient een disconteringsvoet vóór belasting te zijn die zowel de actuele marktrente als de specifieke risico’s met betrekking tot het actief weergeeft. De disconteringsvoet dient geen risico’s weer te geven waarmee in de toekomstige kasstromen al rekening is gehouden.

Realiseerbare waarde: de hoogste van de opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde.

Kasstroom genererende eenheid: de kleinst identificeerbare groep van activa die kasstromen genereert bij voortgezet gebruik die in grote mate onafhankelijk zijn van kasstromen van andere activa of groepen van activa.

Wanneer is sprake van een bijzondere waardevermindering?
Een actief is onderhevig aan een bijzondere waardevermindering indien de boekwaarde hoger is dan de realiseerbare waarde.

Op basis van de wet (artikel 2:387 lid 4 BW) moet voor vaste activa alleen rekening worden gehouden met een lagere waarde als deze naar verwachting duurzaam is. Dit wil zeggen dat niet voorzienbaar is dat de waardevermindering zal ophouden te bestaan. Aangezien bij de bepaling van de bedrijfswaarde een schatting wordt gemaakt van toekomstige kasstromen over de resterende levensduur, wordt hiermee voldaan aan de eis van duurzaamheid.

Wat zijn de indicaties van een bijzondere waardevermindering?
De Raad voor de Jaarverslaggeving beschrijft een aantal indicaties die betrokken dienen te worden bij de beoordeling of sprake kan zijn van een bijzondere waardevermindering. Hierbij maakt ze onderscheid in externe en interne indicaties.

Extern

  • gedurende de verslagperiode zijn er duidelijke aanwijzingen dat de reële waarde van een actief beduidend meer is gedaald dan verwacht zou mogen worden op basis van het verstrijken van de tijd of normaal gebruik;
  • belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de rechtspersoon hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of zullen zich in de nabije toekomst voordoen op het terrein van techniek, markt, economie of wettelijke verplichtingen in de omgeving waarin de rechtspersoon actief is dan wel in de markt waaraan een actief dienstbaar is;
  • marktrentes of andere marktrentabiliteitseisen op investeringen zijn de afgelopen periode gestegen en beïnvloeden naar verwachting de disconteringsvoet en daarmede in belangrijke mate de realiseerbare waarde; en
  • de boekwaarde van de netto activa van de rechtspersoon is hoger dan de reële waarde van het uitstaande aandelenkapitaal.

Intern

  • er zijn duidelijke aanwijzingen van economische veroudering van of fysieke schade aan een actief;
  • belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de rechtspersoon hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of doen zich naar verwachting in de nabije toekomst voor in de mate waarin of de manier waarop een actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt. Deze veranderingen omvatten plannen tot beëindiging of herstructurering van de activiteiten waartoe een actief behoort dan wel het afstoten daarvan op een eerdere datum dan verwacht; en
  • er zijn duidelijke aanwijzingen vanuit interne rapportages die aantonen dat de economische prestaties van een actief beduidend minder zijn of zullen zijn dan verwacht, bijvoorbeeld:
    • kasstromen voor de verwerving van het actief, of de aansluitend benodigde middelen voor het gebruik en onderhoud zijn beduidend hoger dan oorspronkelijk gebudgetteerd;
    • actuele netto kasstromen of operationele resultaten zijn beduidend slechter dat hetgeen werd gebudgetteerd; of
    • een belangrijke terugval in de gebudgetteerde netto geldstroom of operationele resultaten, of een belangrijke toename in het verwachte verlies.

Hoe vaak moet een rechtspersoon beoordelen of sprake kan zijn van een bijzondere waardevermindering?
Een rechtspersoon moet op iedere balansdatum beoordelen of er aanwijzingen zijn dat een actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Als deze indicaties aanwezig zijn, moet de rechtspersoon de realiseerbare waarde van het actief schatten. De realiseerbare waarde is de hoogste van de opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde.

Hoe dient de omvang van een bijzonder waardeverminderingsverlies bepaald en verantwoord te worden?
Als de realiseerbare waarde van een actief lager is dan de boekwaarde dient de boekwaarde te worden verlaagd tot de realiseerbare waarde. De bijzondere waardevermindering moet als een last worden verantwoord in de winst-en-verliesrekening, behalve wanneer het actief is gewaardeerd tegen actuele waarde. Een bijzonder waardeverminderingsverlies van een geherwaardeerd actief dient te worden behandeld als een afname van de herwaarderingsreserve zover dit activum hieraan voorafgaande ten gunste van de herwaarderingsreserve is opgewaardeerd.

Na de verantwoording van een bijzonder waardeverminderingsverlies dient de afschrijvingslast voor de toekomstige perioden te worden herzien om de aangepaste boekwaarde, verminderd met de eventuele restwaarde, stelselmatig over de resterende levensduur te verdelen.

Let op: Indien het geschatte bedrag van het bijzonder waardeverminderingsverlies hoger is dan de boekwaarde van het actief dient een rechtspersoon een passief post op te nemen.

Wat dient toegelicht te worden in de jaarrekening met betrekking tot een bijzondere waardevermindering?
Voor iedere categorie van activa dient in de jaarrekening te worden toegelicht:

  • het bedrag aan bijzondere waardeverminderingsverliezen verantwoord in de winst-en-verliesrekening en de posten waarin deze zijn opgenomen;
  • het bedrag aan waardeverminderingsverliezen die gedurende het boekjaar rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen zijn verantwoord.

Indien een bijzonder waardeverminderingsverlies in het boekjaar is verantwoord en deze is van materieel belang voor de jaarrekening van de rechtspersoon als geheel, dan dient de rechtspersoon het volgende in de jaarrekening toe te lichten:

a) de belangrijkste gebeurtenissen of omstandigheden die geleid hebben tot de verantwoording van het bijzonder waardeverminderingsverlies;

b) het bedrag van het bijzonder waardeverminderingsverlies dat is verantwoord;

c) voor een individueel actief:

  1. de aard van het actief; en
  2. het te rapporteren segment waartoe het actief behoort.

d) voor een kasstroom genererende eenheid:

  1. een beschrijving van de kasstroom genererende eenheid (bijvoorbeeld productlijn, fabriek, bedrijfsonderdeel, geografisch gebied, een segment waarover wordt gerapporteerd);
  2. het bedrag van het verantwoorde bijzonder waardeverminderingsverlies per categorie van activa en per verslaggevingssegment; en
  3. indien de samenstelling van activa voor het identificeren van de kasstroom genererende eenheid gewijzigd is sinds de vorige schatting van de realiseerbare waarde, een beschrijving van de eerdere en de actuele samenvoeging van activa alsmede de reden voor het wijzigen van de manier waarop de kasstroom genererende eenheid is bepaald.

e) of de opbrengstwaarde of de bedrijfswaarde van toepassing is;

f) indien de realiseerbare waarde de opbrengstwaarde is, de basis waarop deze is bepaald (bijvoorbeeld onder verwijzing naar een actieve markt); en

g) indien de realiseerbare waarde is gebaseerd op kasstroomprognoses, een beschrijving van de methode en de belangrijke veronderstellingen waarop de kasstroomprognoses zijn gebaseerd, zoals de periode en de disconteringsvoet gehanteerd bij het schatten van de huidige en de vroegere bedrijfswaarde (indien van toepassing).

Let op: middelgrote rechtspersonen zijn vrijgesteld van de toelichtingen onder c2 tot en met g.

Het volgende blog gaat nader in op de terugneming van een bijzondere waardevermindering. Mocht u vragen hebben inzake de verwerkingswijze van een bijzondere waardevermindering of inzake andere onderwerpen op het gebied van externe verslaggeving, dan kunt u bij ons terecht. Houd onze blogs in de gaten!

Volg ons op LinkedIn en check onze coole site voor vacatures!